Verleden Hans
Ik heb goede en slechte herinneringen aan mijn jeugd, zoals iedereen die kan hebben. Ik was als kind altijd buiten, dan speelde ik met mijn vriendje Herman, ik weet niet of hij nog leeft. Hij had een hele andere band met zijn ouders dan ik. Met Herman werd gepraat terwijl in mijn omgeving slaan normaal was. Ik werd geslagen door een oom, een leraar en mijn ouders.
Doordat ik zag dat het er bij hem thuis anders aan toe ging, begon ik me af te vragen of het wel normaal was dat ik werd geslagen. Ik werd onzeker en vroeg me af of mijn ouders wel van mij hielden. Ik voelde me machteloos. Als ik terugkijk op mijn jeugd, zie ik dat mijn ouders niet beter wisten. In mijn cultuur, de Antilliaanse cultuur, bestaat er heel veel schaamte en taboe. Over opvoeden en slaan werd niet gesproken en ik kon er dus ook met niemand over praten.
Het feit dat ik me bewust was van mijn situatie, betekende nog niet dat ik al in staat was om het te veranderen. Ik heb wel pogingen gedaan. Zo wilde ik als kind aangifte doen tegen mijn vader, maar de politie was onderdeel van hetzelfde systeem als waar mijn vader in zat. Hij werkte namelijk voor de gemeente. Ik werd door de agenten meteen weer thuis gebracht. De hele familie was boos door mijn actie en schaamde zich daarvoor.
Thuis praatten wij niet over gevoel. Ik heb mijn vader maar één keer in mijn leven zien huilen. Ik had er denk ik veel aan gehad als er iemand op jonge leeftijd aan me had gevraagd hoe ik me voelde. Dat was misschien voor mij wel de sleutel geweest. Ze noemen het emotionele weerbaarheid.
.
.
x
x
x
x
Copyright©2024 Hoor Nu Mijn Stem.